Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AT4005

Datum uitspraak2005-06-21
Datum gepubliceerd2005-06-21
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers02748/04
Statusgepubliceerd


Indicatie

Doorzoeking in auto. Het hof heeft het verweer dat de in verdachtes auto aangetroffen gebruikershoeveelheid wiet onvoldoende was om een doorzoeking in de auto te rechtvaardigen kennelijk en niet onbegrijpelijk opgevat als ertoe strekkende dat de enkele omstandigheid dat het een gebruikershoeveelheid wiet betrof, aan de uitoefening van de in art. 9.1.a Opiumwet gegeven bevoegdheid in de weg stond. ’s Hofs oordeel dat die bevoegdheid in een geval als het onderhavige kan worden uitgeoefend ongeacht de hoeveelheid van de aangetroffen verdovende middelen, is juist.


Conclusie anoniem

Nr. 02748/04 Mr. Vellinga Zitting: 12 april 2005 Conclusie inzake: [verdachte] 1. Verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem wegens - kort gezegd - het voorhanden hebben van een patroonhouder met bijbehorende munitie, het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen met bijbehorende munitie en het medeplegen van het voorhanden hebben van drie busjes traangas veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf, met onttrekking aan het verkeer van twee busjes traangas. 2. Namens verdachte heeft mr. G.P. Hamer, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld. 3. Het middel klaagt dat het Hof het verweer dat er onvoldoende rechtvaardiging was om de auto van verdachte te doorzoeken ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft verworpen. 4. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen: "Onrechtmatig verkregen bewijs De raadsman heeft ter terechtzitting betoogd dat de in de auto van verdachte aangetroffen gebruikershoeveelheid wiet onvoldoende was om een doorzoeking in de auto te rechtvaardigen. Naar het oordeel van de raadsman is de aangetroffen patroonhouder onrechtmatig verkregen en is daardoor ook de doorzoeking in de woning van verdachte en de auto van de vriendin van verdachte onrechtmatig geschied. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat, indien het hof aanneemt dat het aantreffen van een kleine hoeveelheid wiet wel voldoende was om de auto te doorzoeken, de doorzoeking van de woning op grond van artikel 9 van de Opiumwet gebaseerd had behoren te worden. Hij heeft hiertoe gesteld dat de Wet Wapens en Munitie de meest vergaande bevoegdheid biedt. De Opiumwet biedt echter meer waarborgen. Naar zijn oordeel had derhalve op basis van de Opiumwet doorzocht moeten worden. De doorzoeking is op grond daarvan onrechtmatig en om die reden dient hetgeen bij de doorzoeking is aangetroffen uitgesloten te worden van het bewijs. Meer subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat het doorzoeken van de woning van verdachte en de auto van de vriendin van verdachte niet proportioneel is, aangezien voor het voorhanden hebben van een gaspistool in de regel slechts een geldboete pleegt te worden opgelegd. De doorzoeking is derhalve onrechtmatig en hetgeen daarbij is aangetroffen dient te worden uitgesloten van het bewijs. Het hof overweegt het volgende. Verbalisanten troffen in de auto duidelijk zichtbaar een hoeveelheid wiet aan. Deze omstandigheid leverde een redelijk vermoeden op van een strafbaar feit uit de Opiumwet. Op grond van artikel 9 van de Opiumwet waren de verbalisanten bevoegd de auto verder te onderzoeken. Verbalisanten troffen vervolgens een patroonhouder in de auto aan. Hierdoor ontstond een redelijk vermoeden dat verdachte ook elders wapens en munitie voorhanden zou kunnen hebben. Op grond van artikel 49 van de Wet Wapens en Munitie bestond de bevoegdheid de woning van verdachte en de voor de woning geparkeerde auto te doorzoeken. Dat de doorzoeking tevens op grond van artikel 9 van de Opiumwet had kunnen plaatsvinden, doet hieraan niet af. Uitgaande van de stelling van de raadsman dat voor het in de auto van verdachte aantreffen van een gaspistool in de regel slechts een geldboete wordt opgelegd, is het hof van oordeel dat dit niet afdoet aan de ontstane verdenking en de daaraan gekoppelde bevoegdheid. Het hof verwerpt derhalve de gevoerde verweren." 5. Uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan het volgende worden afgeleid. Bij overbrenging van de verdachte die was aangehouden ter zake van een ander feit dan hier tenlastegelegd, zag de politie dat in de open middenconsole van verdachtes auto een hoeveelheid verdovende middelen lag. Bij een nader onderzoek werd daarna in de middenconsole een patroonhouder met patronen aangetroffen. Vervolgens zijn verbalisanten op last van de hulpofficier van justitie de woning van verdachte en zijn vriendin binnengetreden op - naar een blik achter de papieren muur laat zien - verdenking van overtreding van de Wet wapens en munitie. In de keuken van de door verdachte en zijn vriendin bewoonde woning werden drie busjes traangas aangetroffen, die stonden op een plank. Daarnaast werden in de bagageruimte van de voor de woning geparkeerde auto een revolver en patronen aangetroffen. 6. Volgens de steller van het middel had het Hof moeten ingaan op de kern van het gevoerde verweer, inhoudende dat gebruikmaken van de bevoegdheid van art. 9 Ow tot zoeken in de auto van de verdachte disproportioneel was gelet op de kleine hoeveelheid van het aangetroffen verdovend middel, te weten een gebruikershoeveelheid wiet. 7. Het middel stelt terecht dat namens de verdachte een beroep is gedaan op disproportionaliteit van het zoeken in verdachtes auto en voorts dat het Hof niet op dit in het verweer vervatte beroep op disproportionalteit is ingegaan. Het Hof heeft immers volstaan met de constatering dat er een wettelijke bevoegdheid bestond tot het zoeken in de auto. 8. Aan het beroep op disproportionaliteit had het Hof niet stilzwijgend mogen voorbijgaan. Het zoeken in de auto vormt een inbreuk op verdachtes privéleven dat in redelijke verhouding dient te staan tot het doel waartoe die inbreuk wordt gemaakt (vgl. o.a. HR 7 september 2004, NJ 2004, 594). 9. Toch behoeft het voorgaande niet tot vernietiging van het bestreden arrest te leiden omdat het Hof het beroep op disproportionaliteit slechts had kunnen verwerpen. De enkele omstandigheid dat (niet meer dan) een gebruikershoeveelheid wiet in verdachtes auto is aangetroffen kan in mijn ogen niet meebrengen dat een inbreuk op verdachtes privéleven in de vorm van zoeken in diens auto niet meer in redelijke verhouding zou staan tot het doel dat daarmee wordt nagestreefd, te weten de opsporing van strafbare feiten, waaronder misdrijven, als vervat in de Opiumwet. Het zoeken in verdachtes auto vormt immers slechts een beperkte inbreuk op diens privéleven, omdat zich in een vervoermiddel als verdachtes auto uit zijn aard maar een zeer beperkt deel van verdachtes privéleven kan afspelen. Daarbij teken ik aan dat bijzondere omstandigheden die dit anders maken noch zijn gesteld noch in de door het Hof vastgestelde feiten liggen opgesloten. 10. Het middel is terecht voorgedragen doch behoeft niet tot vernietiging van het bestreden arrest te leiden. 11. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG


Uitspraak

21 juni 2005 Strafkamer nr. 02748/04 PB/AG Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 3 augustus 2004, nummer 21/000680-04, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Frankrijk) op [geboortedatum] 1976, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Arnhem van 15 januari 2004 - de verdachte ter zake van 1. "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit wordt begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III" en "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie", 2. "het medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit wordt begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III" en "het medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie" en 3. "het medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie" veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf, met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G.P. Hamer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen. 3. Beoordeling van het middel 3.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof heeft verzuimd gemotiveerd te beslissen op een ter terechtzitting gevoerd verweer met betrekking tot de doorzoeking van de auto van de verdachte. 3.2. De bestreden uitspraak houdt - voorzover hier van belang - het volgende in: "De raadsman heeft ter terechtzitting betoogd dat de in de auto van verdachte aangetroffen gebruikershoeveelheid wiet onvoldoende was om een doorzoeking in de auto te rechtvaardigen. Naar het oordeel van de raadsman is de aangetroffen patroonhouder onrechtmatig verkregen en is daardoor ook de doorzoeking in de woning van verdachte en de auto van de vriendin van verdachte onrechtmatig geschied. (...) Het hof overweegt het volgende. Verbalisanten troffen in de auto duidelijk zichtbaar een hoeveelheid wiet aan. Deze omstandigheid leverde een redelijk vermoeden op van een strafbaar feit uit de Opiumwet. Op grond van artikel 9 van de Opiumwet waren de verbalisanten bevoegd de auto verder onderzoeken. (...)" 3.3. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep hield het in het middel bedoelde verweer, overeenkomstig de weergave daarvan in het bestreden arrest, niet meer in dan dat de in de auto van de verdachte aangetroffen gebruikershoeveelheid wiet onvoldoende was om een doorzoeking in de auto te rechtvaardigen. Het Hof heeft dat verweer kennelijk en niet onbegrijpelijk opgevat als ertoe strekkende dat de enkele omstandigheid dat het een gebruikershoeveelheid wiet betrof, aan de uitoefening van de in art. 9, eerste lid aanhef en onder a, Opiumwet gegeven bevoegdheid in de weg stond. In hetgeen het Hof ter verwerping van dat verweer heeft overwogen ligt als zijn oordeel besloten dat in een geval als het onderhavige genoemde bevoegdheid kan worden uitgeoefend, ongeacht de hoeveelheid van de aangetroffen verdovende middelen. Dat oordeel is juist, zodat het middel faalt. 4. Slotsom Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen. 5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier S.V. Pelsser, en uitgesproken op 21 juni 2005.